Mozart mag dan als onovertroffen querulant zijn omschreven, Ludwig van Beethoven kon er ook wat van. Terwijl hij op zijn Schotsbonte bankje de Mondscheinsonate aan het componeren was, had hij nooit kunnen bevroeden dat zijn muziek largando zou werken.
Al heel wat dagen ben ik maat voor maat het stuk op gitaar aan het leren. Nieuwe werelden, die er eerder nog niet leken te zijn, gaan open, alsof de schellen van mijn ogen vallen. Ik ken het stuk al jaren. Van horen spelen. De intimiteit die vrijkomt bij het zelf bestuderen, het in de vingers, maar ook of zelfs vooral in de oren krijgen van de 14e pianosonate in Cis mineur, is ongekend.
De sonate heette in eerste instantie Quasi una Fantasia (NL: Bijna een Fantasie) en die titel zou het behoren te hebben. De wereld die open gaat bij het spelen van het stuk bevat kleuren en geuren waar anders enkel van kan worden gedroomd. Ik voel mij een figurant die in de coulissen mee mag doen met het grote spel van de muziek. Hij die toevalligerwijs een gitaar kan bespelen en de noten van de grote meester ten gehore mag brengen. Verschrompelend tot niets meer dan een troubadour, een marionet met pianosnaren als levenslijnen.
Ergens stoor ik mij aan mijn eigen ondermaatse vertolking. Zelfs als kan ik Quasi una Fantasia zo goed spelen dat ik het in mijn dromen kan fantaseren, dan nog zal ik het niet kunnen spelen zoals het is bedoeld.
Ik heb het namelijk niet verzonnen.
Beethoven. Is het heet boven?
Verbluffende betweter.