Een logge fiets, grijs, met witte letters en dikke velgen, werd de trein ingeduwd. Het voorwiel klapte om en de fiets kwam met een schok tot stilstand. De tensie van de man die de fiets duwde werd hoger. Zou de trein wegrijden terwijl zijn fiets er nog half uit hing? Hij stapte naar binnen, rechtte het wiel en trok de tweewieler panisch op het droge.
'Poe poe,' zei hij. 'Poe poe.'
Hij keek mij daarbij aan, alsof hij wilde zeggen dat hij een wereldprestatie volbracht had en ik daarvoor best een kort applausje kon over hebben, maar ik keek met afgrijzen weg.
Hij parkeerde de fiets op het balkon, tegenover mij. Het ding nam vier zitjes in beslag. Een vervoermiddel in een vervoermiddel, zoals een fiets in een trein, vind ik vreemd. Evenals een auto verplaatsen op een aanhanger aan een auto. Dat ontduikt de definitie van het woord auto.
Hij zette de fiets op slot en ging naast mij zitten. Ik vond het mesjokke dat hij zijn fiets op slot zette in de trein terwijl hij er tegenover ging zitten. De fiets kan de trein niet uit en de eigenaar is aanwezig, dus gestolen zal het ding daar nooit worden.
Maar toen de trein ging rijden werd het mij duidelijk dat het helemaal niet zo'n domme actie was. Doordat de spaken tegen het slot aantikten, kon het wiel niet draaien. Het voorkwam dus een rijdende fiets door een rijdende trein. Want dat zou een raar tafereeltje zijn.
Bijna net zo raar als met schaatsen aan op een eenwieler rondjes fietsen op het dek van een vastgelopen veerpont die door twee sleepboten vlot wordt getrokken, waarvan de ene een kapotte motor heeft.