Het begin van de tweede partij verliep voorspoedig. Ik kwam in een voor mij overbekende stelling en mijn tegenstandster wist niet precies hoe het moest. Toch wist ze veel goede zetten te verzinnen, misschien zonder zelf exact te weten dat ze veel van mijn plannen, zowel tactisch als strategisch, daarmee dwarsboomde.
Ondertussen zat ik mij mateloos te irriteren aan een Singaporees jochie van een jaar of drie, die continu zijn neus luidruchtig aan het ophalen was. Hij zat direct naast mij. Ene J.W. Lee. Jan-Willem of zo waarschijnlijk. Zelfs arbitraal ingrijpen hielp geen moer. Gelukkig werd dit jochie vrij banaal nogal hard mat gezet. Na zo'n anderhalf uur kon er dus geconcentreerd geschaakt gaan worden.
Na de opening besloot ik dames te ruilen. Ik hield een goede loper over, terwijl die van haar gedegradeerd was tot pion. Ook mijn torens waren actiever. Ze liet wat verzwakkingen toe, vond enkele keren niet de sterkste voortzetting en uiteindelijk resulteerde één van mijn onopgemerkte dreigingen in pionwinst.
Ook daarna wist de witspeelster niet de sterkste zetten meer te vinden. Omdat de partij haar heel veel tijd had gekost, wist ik via een eenvoudig penninkje op een toren een stuk te winnen. Daar kwamen nog enkele pionnen bij en toen ik zo'n beetje al het materiaal van het bord had gesloopt, gaf ze op.